peuter
De ontwikkeling van het moreel oordeel

In dit onderdeel stellen we ons de vraag hoe we aan onze waarden en normen komen? Hebben we die 'uit onszelf' of krijgen we die aangereikt door onze ouders en opvoeders? Of is het een combinatie van die twee?
We bekijken eerst even hoe Sigmund Freud er over dacht, om dan, via een zijsprongetje met het werk van Jean Piaget, het onderzoek van Lawrence Kohlberg te bestuderen. Aan het eind van dit deeltje brengen we enkele gegevens samen.

1 De ontwikkeling van het moreel oordeel volgens Freud

1.1 Waardenoverdracht in de opvoeding. Freud meende dat je je waarden en normen meekrijgt uit je opvoeding. De maatschappij stelt een aantal waarden en normen voorop en deze worden door de opvoeding ‘ingeprent’ in het bewustzijn van het kind. Er vormt zich op die manier een ‘geweten’: een innerlijke stem die zegt wat goed en kwaad is. Eigenlijk is het de stem van de vader, die het kind verinwendigd heeft. De vader hoeft na verloop van tijd niet meer fysiek aanwezig te zijn. Ook als hij er niet is, om het kind te controleren, oefent zijn verinnerlijkte 'stem' invloed uit.
Een belangrijk onderdeel van het geweten bestaat dus in geboden en verboden. Voorbeelden :
- je zult niet doden
- je mag niet stelen
- je mag niet discrimineren

1.2 Het geweten. Het geweten is in belangrijke mate verantwoordelijk voor allerlei schuldgevoelens. Deze ontstaan wanneer je iets doet (of wilt doen) dat eigenlijk niet mag volgens je geweten. Voorbeelden :
- je steelt iets in een winkel
- je bent egoïstisch
- je spiekt
Let op! De gedachte alleen al aan iets dat eigenlijk niet mag van je geweten veroorzaakt al een schuldgevoel, zegt Freud. Het geweten kan namelijk ‘zien’ wat voor slechts je allemaal van plan bent. Iets wat je ouders of je leraars niet kunnen.
Freud noemde het geweten ‘das Überich’ (het ‘superego’ of letterlijk : het ‘boven-ik’). Naast het geweten onderscheidde Freud nog twee andere instanties binnen de menselijke psyche. Zie onderstaand schema :
Volgens Freud bevat het Es allerlei, vooral lichamelijke, driften. Deze driften krijg je mee met je geboorte. Ze worden als het ware overgeërfd. Belangrijke driften zijn de seksuele driften en de agressie-driften (Freud noemde ze Eros en Thanatos).
schema

Bijvoorbeeld : “ik ben verliefd op mijn buurmeisje, maar zij is verloofd en heel gelukkig met haar vriend. Met mij wil ze geen relatie beginnen. Ik moet mijn verlangen naar haar dus geheel onderdrukken. (Iedere drift die onderdrukt wordt, verdwijnt in principe naar het onderbewuste, aldus Freud).
Het ‘ik’ probeert dus de driften aan te passen aan de eisen en verwachtingen van de buitenwereld. Hierbij streeft het ‘ik’ naar zo veel mogelijk lust en zo weinig mogelijk onlust (het ‘lustprincipe’). Maar dan wel zodanig dat het voor de omgeving aanvaardbaar blijft (het ‘realiteitsprincipe’).

Het is duidelijk dat de opdeling van de psyche volgens het model van Freud in grote mate overeenkomt met de manier waarop mensen meestal over het geweten denken. Het beeld van het 'goede' stemmetje, dat mij waarschuwt voor het doen van het kwade, en het 'slechte' stemmetje dat mij juist wil verleiden, is zelfs in de reclamewereld bekend. Maar het blijft toch de vraag of Freud's idee voldoende verfijnd is. In ieder geval is zijn zienswijze sterk gekleurd door de strenge burgerlijke opvoeding van de tijd en het milieu waaruit Freud zelf komt. De strenge vader is vandaag wellicht wat minder streng en misschien zijn de moeders vandaag wel strenger dan in het Wenen van het begin van de vorige eeuw? Maar ondanks alles is het een model dat zijn plek verdient.
garfield

2 UItwijding: De cognitieve ontwikkeling volgens Jean Piaget

Piaget is een van de belangrijkste ontwikkelingspsychologen en dan meer bepaald voor wat betreft de ontwikkeling van het denken. De cognitieve ontwikkelingspsychologie probeert in kaart te brengen hoe het denken van een kind zich ontwikkeld. Dat is met name voor het onderwijs van enorm belang. Je moet als onderwijzende immers kunnen inspelen op wat een kind op een bepaalde leeftijd kan bevatten. Piaget ontwikkelde een model, waarbij de opvoedeling steeds op een meer abstract niveau gaat redeneren. Bij het jonge kind richt het denken zich nog uitsluitend op het concreet-waarneembare, maar gaandeweg kan het kind ook op een meer abstract niveau redeneren.
Uit het onderzoek van Piaget nemen we twee experimenten over, om die ontwikkeling te kunnen aantonen. De experimenten die hier vermeld worden, zullen ook in de morele ontwikkelingspsychologie van belang blijken te zijn.

2.1 Demo: Wet van behoud van massa
(klasaciviteit met leerlingnotities)

2.2 Demo: Decentreren
(klasaciviteit met leerlingnotities)

3 De morele ontwikkeling volgens Lawrence Kohlberg

Net zoals Jean Piaget in de cognitieve ontwikkeling verschillende opeenvolgende stadia wist aan te duiden, wilde Lawrence Kohlberg ook in de morele ontwikkeling (dus in de ontwikkeling van het geweten) stadia onderscheiden. En je begrijpt dat er een verband is tussen het ontwikkelen van het denken en het morele oordeel, want de mogelijkheid tot decentreren moet aanwezig zijn bij het kind, opdat het zou kunnen inzien welke gevolgen een handeling hebben voor een ander.
Voor het vaststellen van de stadia in de morele ontwikkeling, bedacht Kohlberg verhaaltjes met een ethisch dilemma. Hij liet de kinderen in het onderzoek op de verhalen reageren en hieruit meende hij te kunnen afleiden in welke fase van morele ontwikkeling de proefpersonen zich bevonden.

tulpen
3.1 Demo: de bal en de tulpen
(klasaciviteit met leerlingnotities)

Laten we nog een van Kohlbergs verhalen als voorbeeld nemen:

3.2 Het Heinz-dilemma. (Naar L. Kohlberg)
'Ergens in Europa lag een vrouw op sterven omwille van een zeldzame ziekte. Er was echter een nieuw geneesmiddel waarvan de dokters dachten dat het haar leven kon redden. Dit geneesmiddel bevatte radium en dit was pas ontdekt door een apotheker die in dezelfde stad woonde als de vrouw die op sterven lag. De bereiding van het geneesmiddel was duur, maar de apotheker vroeg nog eens tienmaal zoveel. Hij betaalde zelf 500 euro voor het radium en rekende 5000 euro aan voor een kleine dosis van het geneesmiddel. Heinz, de echtgenoot van de zieke vrouw, ging bij al zijn kenissen langs om het geld te kunnen lenen. Hij kon echter maar 2500 euro bijeenkrijgen. Hij vertelde de apotheker dat zijn vrouw stervende was en vroeg hem het geneesmiddel aan een lagere prijs te verkopen of hem toe te staan om later het verschil bij te betalen. Maar de apotheker zei: “Neen, ik heb het geneesmiddel ontdekt en ik wil er geld mee verdienen”. Heinz werd wanhopig en overwoog om in de apotheek binnen te breken en het geneesmiddel te stelen voor zijn vrouw.'
Mag Heinz het geneesmiddel stelen? Duid één van de volgende uitspraken aan:
( ) 1 Hij mag het stelen.
( ) 2 Ik weet het niet; ik twijfel.
( ) 3 Nee, hij mag ‘t niet stelen.

Bij de beslissing of Heinz het geneesmiddel moet stelen of niet zullen een aantal vragen en overwegingen een rol spelen, bijvoorbeeld de argumenten hieronder. Geef voor elk argument aan hoe belangrijk (heel erg - erg - nogal - weinig - niet) jij het vindt voor de oplossing van het dilemma. Noteer het overstemmende cijfer bij de argumenten.
Hoe .belangrijk vindt u de volgende argumenten?
(4) Heel erg belangrijk - (3) Erg belangrijk - (2) Nogal belangrijk - (1) Weinig belangrijk - (0) Niet belangrijk

1 Zullen de wetten van de samenleving nageleefd worden?
2 Is het niet normaal dat een liefhebbende echtgenoot zoveel om zijn vrouw geeft dat hij voor haar zou stelen?
3 Wil Heinz als inbreker het risico lopen neergeschoten te worden of de gevangenis in te gaan, zonder er zeker van te zijn dat het geneesmiddel zal helpen?
4 Is Heinz een beroepsworstelaar, of kent hij andere beroepsworstelaars?
5 Steelt Heinz voor zichzelf of wil hij alleen iemand helpen?
6 Moeten de apothekers hun rechten op de uitvinding gerespecteerd worden?
7 Is de essentie van het leven niet meer omvattend dan de terminatie van het sterven, sociaal en individueel?
8 Welke waarden moeten de basis vormen om het gedrag van mensen t.o.v. elkaar te regelen?
9 Zal men de apotheker toestaan zich te verbergen achter een waardeloze wet die toch alleen de rijken beschermt?
10 Staat in dit geval de wet niet het basisrecht van elk lid van de samenleving in de weg?
11 Verdient de apotheker het niet bestolen te worden o.w.v. zijn hebzuchtig en wreed gedrag?
12 Doet stelen in zo’n geval goed aan de gehele samenleving of niet?

Kies nu uit de bovenstaande argumenten de vier belangrijkste en noteer hun nummer:
Het belangrijkste argument:
Het op een na belangrijkste argument:
Het op twee na belangrijkste argument:
Het op drie na belangrijkste argument:

Kohlberg meende dat een analyse van de antwoorden op deze en soortgelijke opdrachten, hem toeliet om te bepalen in welke van zijn morele stadia een kind zich op dat ogenblik bevond. Bestudeer de verschillende stadia en fasen in de volgende paragrafen en onderzoek daarna zelf een paar van de argumenen die hierboven gegeven werden. Ga bij die argumenten na hoe het gegeven cijfer iets vertelt over de manier waarop je het morele vraagstuk benadert - en dus ook over het stadium waarin de proefpersoon zich bevindt.

3.3 De drie stadia in de ontwikkeling van het individuele geweten volgens Kohlberg
Kohlberg veronderstelde dat het kind ook in de morele ontwikkeling een aantal stadia doorloopt. Naar het model van Piaget ontwikkelde hij een aantal tests om die stadia te omschrijven. Hij dacht dat de morele ontwikkeling van jonge mensen drie grote stadia kent.
3.3.1 Op de eerste plaats is er het pre-conventionele stadium. Dat is de leeftijd van 0 tot 12 jaar. Kinderen laten zich bij hun gedrag voornamelijk leiden door de gevolgen die hun gedrag kan opleveren. Zo is een handeling die gestraft wordt (moreel) ‘fout’ en een handeling die beloond wordt (moreel) ‘goed’.
3.2.2 Het tweede stadium, het conventionele stadium, is van ongeveer 12 tot 18 jaar. Jongeren van deze leeftijdsgroep laten zich bij hun gedrag voornamelijk leiden dor wat de omgeving van hen verwacht : het gezin, de familie, vrienden, enz. Aanpassen (conformeren) aan de heersende gewoontes staat centraal.
3.3.3 In het derde stadium, het post-conventionele stadium, gaan jonge mensen meer inhoudelijk nadenken over de waarden en normen die men aangereikt heeft gekregen. Jongeren gaan bewuster kiezen uit datgene wat door de omgeving voorgeschoteld wordt. Ze gaan hun eigen opvattingen, hun eigen waarden en normen ontdekken. Dit gebeurt met name door een kritisch onderzoek naar de waarden en normen die men heeft meegekregen van thuis en van de omgeving.
De waarden en normen die men goed vindt, worden behouden. De waarden en normen waar men zich niet in kan vinden, worden afgestoten. En misschien komen daar andere waarden en normen voor in de plaats.

3.4 De zes fasen in de ontwikkeling van het individuele geweten volgens Kohlberg
Van alle menselijke vermogens heeft het geweten wel het meest tijd nodig om te ontwikkelen. Pas tijdens de adolescentie - of nog later - wordt de mens bekwaam om persoonlijk en zedelijk te handelen. Dit is niet los te koppelen van de sociale omgeving en de psychologische beïnvloeding. Het kind oordeelt gevoelsmatig. De puber laat zich leiden door de bestaande normen. Pas in de adoloscentiejaren wordt het echt verantwoordelijk beslissen mogelijk.
Kohlberg heeft de ontwikkeling van het moreel aanvoelen in verschillende stadia beschreven. Binnen elk stadium onderscheidt hij twee fasen.
3.4.1 fase van beloning en straf (1ste fase in het pre-conventionele stadium)
Normen van buitenaf - door ouders en opvoeders opgelegd - bepalen het gedrag van het kind. Hij houdt er rekening mee omdat er bepaalde gevolgen aan vastzitten. Wordt hij beloond, dan heeft hij iets goeds gedaan. (zo denkt het kind in deze fase !) Een straf brengt hem het besef bij dat hij iets verkeerds deed.
3.4.2 fase van lust en onlust (2de fase in het pre-conventionele stadium)
Nu komt er ook een persoonlijk element bij te pas. Waar het kind lust aan beleeft, is goed; wat hem onlust geeft, is kwaad. (alzo denkt het kind in deze tweede fase !)
3.4.3 fase van ‘de goede jongen’ en ‘het lieve meisje’ (1ste fase in het conventionele stadium)
Het strikte verband tussen daad en beloning of straf wordt verbroken. Het kind wil de goedkeuring van de mensen rondom zich verwerven. Als zijn ouders (opvoeders) het kind prijzen, was het goed volgens hem; als ze het berispen, was het slecht.
3.4.4 fase van wet en orde (2de fase in het conventionele stadium)
Het kind komt terecht in diverse vormen van menselijk samenleven met een geheel van rechten en plichten, waaraan iedereen zich te houden heeft (school-verkeer-organi-saties ...). Goed gedrag bestaat, voor de persoon in deze fase, er in dat men eerbied betoont voor het gezag en voor de gegeven sociale orde. Wat goed en kwaad is, ligt eens en voorgoed vast : daarover valt niet te discussiëren. Bestaande gewoonten en normen worden als definitief en onveranderlijk ervaren. De meeste mensen van vo-rige generaties bleven in deze fase steken, enerzijds door een ingewortelde eerbied voor elke vorm van gezag dat ‘van God’ kwam; anderzijds door gebrek aan ontwikke-ling en tekort aan informatie, zodat ze niet tot een persoonlijk inzicht konden komen. voorbeeld :
3.4.5 fase van het opstellen van een eigen waardenschaal (1ste fase in het post-conventionele stadium)
Overgeërfde gedragspatronen zijn niet noodzakelijk goed. Wat feitelijk bestaat en op het gezag van een groep steunt, is daarom nog niet het beste. Tegen een star vasthouden aan orde en wet worden nu zeden en gewoonten in vraag gesteld. Het geweten laat zich niet langer door bestaande normen leiden. Het gaat zijn eigen waardenschaal opstellen en proberen die in structuren en instellingen terug te vinden.
3.4.6 fase van het universeel ethisch beginsel (2de fase in het post-conventionele stadium)
De laatste fase in de gewetensgroei wordt bereikt wanneer een ethisch oordeel gebaseerd wordt op universele waarden die je vrij kiest, d.i. uit persoonlijke overtuiging en vanuit een onafhankelijke beslissing. Het is de fase van de zedelijke volwassenheid en het autonoom handelen.

3.5 Enkele kanttekeningen
3.5.1 Voor de eerste fase bestaat eigenlijk nog een andere : de premorele fase. In deze fase verstaat het kind (baby) nog geen regels. Voor hem is goed wat plezierig of opwindend is; slecht is dan wat pijnlijk is of vrees inboezemt.
3.5.2 De historische omstandigheden waarin Kohlberg aan de universiteit zijn theorie ontvouwde, speelden wellicht ook een rol: er was aan de Amerikaanse universiteiten in de jaren '60 veel verzet tegen de oorlog in Vietnam. Je zou kunnen zeggen dat de jongeren die hiervoor op straat kwamen, in een hoger moreel stadium verkeerden dan hun ouders, die netjes de pro-oorlog retoriek van de president geloofden. Kohlberg werd dan ook door de studenten op handen gedragen.
3.5.3 Het werk van Kohlberg heeft veel lof, maar ook veel kritiek gekregen. Zo nam men hem kwalijk, dat zijn onderzoek aanvankelijk alleen jongens betrof. Ondanks deze en andere kritieken, levert het onderzoek van Kohlberg toch interessante gegevens op. Het is een correctie op het werk van Freud, in die zin dat de eigen ontwikkeling van het kind meer in beeld komt. Maar ook de interactie met de omgeving blijkt een belangrijke factor in de morele ontwikkeling. Maar deze nieuwe visie op de morele ontwikkeling van kinderen kan er toe leiden, dat de opvoeding geen grenzen meer stelt. Dat gebeurde in de anti-autoritaire opvoeding in de jaren 60 en begin jaren 70 van de 20ste eeuw.



Een sterk voorbeeld van die opvoeding (of het ontbreken ervan) kan je zien in de documentaire 'de kresj' van Marije Meerman. (In het bijgaande filmpje ontrbreekt in het tweede deel helaas de klank, dit door een foutje van mezelf).