In alle culturen zijn er min of meer vaste gebruiken bij een overlijden. In het algemeen kan je stellen dat een cultuur kiest voor één van de vier natuurelementen, waaraan het lichaam van de overledene wordt toevertrouwd:
Vuur: kenmerkend voor de culturen van het Indische subcontinent, maar ook voor de oude volken in West-Europa. Het lichaam van de overledene wordt op een brandstapel geplaatst en de stoffelijke resten worden nadien vaak toevertrouwd aan de rivier.
Water: in sommige culturen was het de gewoonte om de lijken op een vlot te leggen en het dan aan de oceaan te geven. Het zeemansgraf. Aarde: teraardebestelling is heel lang de enige manier geweest waarop in Europa met de doden werd omgegaan. Dat komt door de invloed van het christendom. In de bijbel lezen we dat Jezus in een graf werd gelegd en dit is lang de enige manier geweest waarop men in Europa met een afgestorvene mocht omgaan.
Meer info over de katholieke uitvaart vind je in je lesnotities.
Studietekst: de kaholieke uitvaart
Voordat je met de studie van de katholiek uitvaart begint, kan je best bij jezelf nagaan wat je er al van weet. Je kan dan je voorkennis aanvullen met informatie uit de tekst.
Bestudeer dan de tekst. Aan het eind van je studie moet je het volgende kunnen of kennen:
- De recente verschuiving van de uitvaartpraktijk kunnen weergeven
- De ontwikkeling, waarbij de uitvaart meer en meer een privé-aangelegenheid wordt, kunnen weergeven
- De oorspronkelijke betekenis, de vroegere en de huidige praktijk in verband met de ziekzalving schetsen.
- De twee hoofdthema's geven in de katholieke visie op de dood en het hiernamaals, met de plaats van het laatste oordeel daarin.
- Verschillende delen en rituelen in de uitvaartmis aanduiden en de betekenis ervan toelichten.
- De hoofdzaken in verband met de katholieke gebruiken rond de graflegging en de crematie.
- De gewoonte om de doden op geregelde tijdstippen te herdenken, toelichten.
Wanneer een christen sterft, wordt in een (kerkelijke) uitvaartplechtigheid afscheid genomen van de dode. In de katholieke kerk wordt er door de nabestaanden doorgaans een (eucharistie)viering georganiseerd waarin het leven van de overledene wordt herdacht om het vervolgens in handen van God te leggen. Op de dienst in de kerk volgt de begrafenis op het kerkhof. Daarna blijft de familie meestal samen om tijdens een maaltijd herinneringen op te halen aan de overledene. Momenteel is de uitvaartpraktijk in België evenwel volop in beweging. Er wordt steeds meer gekozen voor een crematie in plaats van voor een teraardebestelling. In 2003 werd niet minder dan 39% van de overledenen in België gecremeerd. Dat heeft heel wat gevolgen, zowel voor het verloop en de organisatie van de uitvaart, als voor de inrichting van de kerkhoven in België. Het brengt ook een andere omgang met stoffelijke resten met zich mee. Daarnaast treedt een steeds sterker wordende individualisering op. Steeds vaker leest men in de rouwadvertenties in de krant dat 'de uitvaart reeds heeft plaatsgehad in strikte familiekring'. Het ziet ernaar uit dat het afscheid van de doden in België evolueert van een gemeenschapsgebeuren naar een privé-aangelegenheid, met nieuwe rituelen die moeten zorgen voor een persoonlijk afscheid.
De ziekenzalving
Wanneer vroeger vermoed werd dat iemand zou sterven, werd hem of haar door een priester het zogenaamde laatste oliesel toegediend. In dat ritueel werd aan de stervende gevraagd zijn zonden te belijden, om vergiffenis van de zonden te verkrijgen vooraleer de reis te maken naar het leven na de dood. Als teken van die tocht werd de stervende gezalfd met chrisma, gewijde olie. Men diende de stervende ook voor het laatst de communie toe, die werd beschouwd als de 'spijs voor onderweg' en om die reden viaticum heette. In veel gevallen maakte de persoon in kwestie de toediening van dat sacrament niet bewust mee. Meestal werd immers gewacht tot men vermoedde dat de dood spoedig zou intreden vooraleer men de priester liet komen. In feite gaat de traditionele praktijk zoals hierboven geschetst, in tegen de oorspronkelijke bedoeling van het sacrament van de ziekenzalving, namelijk door de zalving een zieke persoon weer kracht geven om het leven met hernieuwde moed aan te vatten. Hierbij staat het voorbeeld van Jezus centraal, die zieken de handen oplegde en genas. Vandaar dat men sinds het tweede Vaticaans concilie weer recht wil doen aan die oorspronkelijke betekenis door zieke, maar niet noodzakelijk stervende, mensen te zalven. Op die manier kan een echte ziekenzalving plaatsvinden.
In de dienst van de ziekenzalving zoals die nu bij voorkeur wordt uitgevoerd, wordt de zieke uitgenodigd stil te staan bij zijn leven. Als hij dit wenst, kan hij zijn schulden belijden. Na een lezing uit de bijbel, gevolgd door enkele voorbeden, vindt de kern van de ritus plaats. Daarin legt men de zieke de handen op als teken van troost en geborgenheid. Hierop volgt de zalving op het voorhoofd en de handen. Hiermee wordt de Heilige Geest gevraagd de zieke bij te staan in zijn genezingsproces. Tot slot wordt de communie uitgereikt. Dat sacrament kan zowel toegediend worden in een viering in de kerk als bij de zieke persoon zelf, thuis of in het ziekenhuis. Het gebeurt dat er specifieke vieringen georganiseerd worden waarin aan meerdere zieke en oude mensen tegelijk het sacrament wordt toegediend. Vanuit dat perspectief kan men ook meerdere malen in het leven de ziekenzalving krijgen. In de praktijk blijken veel mensen niet vertrouwd met die mogelijkheid. Velen willen hoe dan ook een priester bij het sterfbed, zelfs als de stervende voordien de ziekenzalving al heeft gekregen. Wanneer iemand het sacrament van de ziekenzalving heeft ontvangen, staat dat gewoonlijk op de doodsbrief vermeld als 'gesterkt door het sacrament van de zieken' of 'gesterkt door de ziekenzalving'.
De katholieke visie op de dood en het hiernamaals
In de klassieke katholieke visie op de dood zijn twee hoofdthema's aanwezig: de onsterfelijkheid van de ziel en de opstanding uit de doden. Soms krijgt het ene thema het hoofdaccent, soms het andere, maar in feite zijn beide thema's nauw met elkaar verbonden. Volgens de kerk leeft de ziel van de overledene na de dood verder in het hiernamaals. Aan het einde van de tijden zullen de zielen bevrijd worden en de doden herrijzen. Vanzelfsprekend gebeurt dat ter herinnering aan Jezus, die na drie dagen verrezen is uit de doden. Het einde der tijden gaat gepaard met het laatste oordeel. Daarin worden de onsterfelijke zielen van alle mensen beoordeeld op hun kwaliteiten. Wie goed en berouwvol heeft geleefd, zal aan de rechterhand van God mogen zitten, terwijl de zondaars aan de linkerkant zullen plaatsnemen. Zolang dat finale oordeel niet heeft plaatsgevonden, wacht iedereen af. Een voorlopige staat is al opgemaakt. De goeden worden ondergebracht in de hemel, terwijl de slechten in de traditionele voorstelling naar de hel gaan (of naar het tussen hemel en hel gelegen vagevuur).
Een uitvaart regelen
In België worden de uitvaarten doorgaans geregeld door begrafenisondernemers. Die helpen de familie met de praktische zaken en doorlopen de verschillende stappen om tot een uitvaartplechtigheid en begrafenis of crematie te komen. Het eerste \-vat na een overlijden dient te gebeuren, is het lichaam van de overledene naar een funerarium te laten brengen om het te laten opbaren. In België worden immers nog zeer weinig mensen thuis opgebaard, deels omdat zeer weinig mensen thuis sterven, deels allicht ook omdat men steeds meer moeite heeft met de aanwezigheid van het dode lichaam. Het is precies een van de taken van een begrafenisondernemer om het lichaam mooi op te baren. Het lichaam wordt eerst gewassen en behandeld tegen verdere aftakeling. Vervolgens wordt het mooi aangekleed. Dat gebeurt in de kledij van de overledene zelf; de familie beslist daarover. Tot slot wordt het lichaam in een open kist gelegd. Op die manier wordt aan familie en vrienden de kans gegeven om een laatste keer te komen kijken naar de overledene en afscheid te nemen, het zogenaamde groeten. Er zijn geen religieuze rituelen die dat opbaren omgeven. Wel kan desgewenst een religieus symbool, zoals een kruis, in de rouwkamer aangebracht worden. De bezoekers kunnen hun gevoelens neerschrijven in het rouwregister. Een tweede dringende taak is het vastleggen van de datum van de uitvaart. Daarbij moet rekening gehouden worden met verschillende factoren. Volgens de Belgische wet moet er altijd 24 uur verstrijken tussen een overlijden en een begrafenis. Binnen tien kalenderdagen (of negen naargelang de gemeente) moet een lichaam begraven worden. In de praktijk hebben de meeste mensen een voorkeur voor een uitvaartplechtigheid op zaterdag. De begrafenisondernemer contacteert desgewenst de parochiepriester. Vroeger werd er een onderscheid gemaakt tussen een begrafenis om tien en om elf uur. Nu kost elke dienst evenveel, waardoor een deel van de aantrekkingskracht van een (duurdere en chiquere) dienst om elf uur is verdwenen. Nadat de datum van de uitvaart is vastgelegd, kunnen de doodsbrieven opgesteld worden, waarin de dood van de persoon in kwestie wordt gemeld. Ze worden opgesteld vanuit het perspectief van het gezin waartoe de overledene behoorde. De gezinsleden nodigen de verdere familieleden en de vrienden uit om deel te nemen aan de afscheidsviering. De meeste begrafenisondernemers drukken die brieven zelf. Zij laten het gezin de stijl, het motief en de teksten kiezen. Naast de doodsbrieven moeten ook herinneringsprentjes gedrukt worden. Die worden in de uitvaartplechtigheid meegegeven aan degenen die de uitvaart hebben bijgewoond. Ze dienen als een aandenken aan de overledene. Vaak staat er een foto op en niet zelden ook een persoonlijke herinneringstekst. Tot slot moet er worden nagedacht over de rouwadvertentie die in kranten gepubliceerd wordt om een bredere groep van kennissen op de hoogte te brengen van het overlijden.
Meestal komt de naaste familie bijeen om die praktische zaken te bespreken en de nodige keuzes te maken. Zij moet ook een beslissing nemen over de doodskist. In België kan men (...)
De zogenaamde offergang markeert de overstap naar de eucharistische dienst. Bij de offergang worden alle aanwezigen uitgenodigd één voor één naar voren te komen, het kruis van Chrisma aan re raken en wat geld in de offerschaal te leggen. Voor veel mensen is dat het moment waarop zij eer betonen aan de overledene en tegelijk hun medeleven betuigen aan de familie. Dat aanvoelen wordt in de hand gewerkt door de ontvangst van een doodsprentje bij het teruggaan naar zijn of haar plaats in de kerk. Voor de kerk is er een diepere betekenis aanwezig in de offergang: men drukt de bereidheid uit deel te hebben aan het offer van Jezus. Na de offergang wordt de consecratie voorbereid, waarna de aanwezigen worden uitgenodigd te communie te komen. Het Îs echter niet verplicht eucharistie te vieren in een uitvaartdienst. Een gebedsdienst is ook mogelijk. In dat geval kan er geen offergang plaatsvinden. Ter vervanging wordt een soort processie naar de lijkkist gehouden. Aan het eind van de dienst wordt de afscheidsritus of absoute gehouden. Daarin wordt afscheid genomen van de overledene. Tegelijk wordt de overledene aanbevolen bij God. Dat alles geldt als de kern van de uitvaartdienst en wordt bij voorkeur gevierd met actieve betrokkenheid van de gemeenschap. De voorganger gaat naar de kist. Daar spreekt hij woorden ten afscheid, aangepast aan de concrete omstandigheden. Daarna zingt de gemeenschap de afscheidszang. Dat is een lied waarin de wens tot uitdrukking komt dat de dode reeds op weg is naar de hemel. Ondertussen besprenkelt de voorganger de kist met wijwater en wierook. Het wijwater herinnert aan de doop, het feit dat Je overledene behoorde tot de gemeenschap van gedoopte christenen. De wierook toont de eerbied voor het lichaam, dat beschouwd wordt als de tempel op aarde van de Heilige Geest. Ten slotte beveelt de voorganger de overledene aan bij God, ongeveer met de volgende woorden: 'Heer onze God, wij vertrouwen u deze dierbare overledene toe.' Daarna is de dienst afgelopen en onder het gezang van het 'Ten Paradijze' wordt de kist de kerk uitgedragen. Soms kiest de familie ervoor bij het portaal alle aanwezigen te groeten, soms gebeurt dat pas op het kerkhof.
Graflegging
Aangezien de Belgische kerkhoven zich momenteel niet meer rond het kerkgebouw bevinden, moet de lijkkist na de uitvaartdienst verplaatst worden van de kerk naar de begraafplaats. Meestal gebeurt dat met de lijkwagen van de begrafenisonderneming. De lijkwagen wordt gevolgd door de auto's van de familie en al wie zich geroepen voelt het lichaam te begeleiden naar de laatste rustplaats. Er zijn nog maar weinig gevallen waarbij men de kist te voet begeleidt. Meestal liggen er op de lijkwagen verschillende bloemenkransen van familie en vrienden. Als men dat niet wenst, kondigt men dat op de doodsbrief aan met 'bloemen noch kransen'. Op het kerkhof vindt een kort ritueel plaats waarin bij voorkeur de priester voorgaat, maar ook een gebedsleider de gebeden kan verzorgen. Vroeger begeleidde men de kist tot aan het graf en kon iedereen zien hoe de kist in de grafkuil werd neergelaten. Momenteel blijft men op meestal op enige afstand van het graf en doen de grafdelvers hun werk nadat iedereen vertrokken is. De grond waarin het graf zijn definitieve rustplaats krijgt, is voordien door de priester gewijd. In het gebed wordt tot uitdrukking gebracht dat het lichaam wordt toevertrouwd aan God. Vervolgens worden zowel de kist als het graf besprenkeld met wijwater, bewierookt en bekruist. De aanwezigen krijgen de kans een bloem op de kist te leggen of een kruisteken te maken over de kist, als teken van het laatste afscheid. Wanneer men toch blijft wachten totdat de kist wordt neergelaten in het graf, kan elke aanwezige een handvol aarde op de kist werpen. Consulenten zeggen vaak, dat het bewust en fysiek meemaken van dit moment het rouwproces gunstig beïnvloedt. Desgewenst kan daarna de condoléance plaatsvinden. In België is een laatste rustplaats in eeuwigdurende concessie sinds de jaren zeventig niet meer mogelijk. De maximale termijn van een concessie is nu nog vijftig jaar. Er is wel een plicht tot onderhoud en verzorging van het graf. Na enkele weken wordt de grafsteen op het graf geplaatst. Daarop staat naast de naam van de overledene de geboorte- en sterfdatum, soms vergezeld van een spreuk of een foto.
Crematie
Doden cremeren werd in België pas toegestaan vanaf 1932. Het kon toen alleen gebeuren indien de overledene een geschreven wilsbeschikking daartoe had nagelaten. Het duurde nog tot 1963 vooraleer de katholieke Kerk haar toestemming gaf voor die 'nieuwe' vorm van afscheid nemen. Nog steeds staat de kerkelijke overheid positiever tegenover de begrafenis en dat vooral om de symboolwaarde die zowel verwijst naar de dood en verrijzenis van Jezus als vooruitwijst naar de opstanding uit de doden. Gezien de keuze voor crematie steeds populairder wordt (een jaarlijkse stijging van 5 à 10%), blijken veel katholieken zich niet te houden aan die aanbeveling. Momenteel zijn er zeven crematoria in België. Het dichtstbijzijnde crematorium staat in Hasselt. Sinds 2003 decreteert de Vlaamse overheid dat die niet in privé-handen mogen zijn. Er zijn dus alleen intercommunales en gemeentelijke crematoria. Brengt men de kist met het dode lichaam na de uitvaartliturgie in de kerk naar het crematorium, dan kan daar naar analogie van het gebed bij het graf ook een gebed worden uitgesproken voor de zielenrust van de overledene en voor een veilige thuiskomst bij God. Ook hier wordt de kist nog eens besprenkeld met wijwater, bewierookt en bekruist. Hierna wordt de kist naar de verbrandingsoven gevoerd. Meer en meer echter wordt gekozen voor een uitvaartliturgie in de aula van het crematorium. Daar kan geen eucharistieviering plaatsvinden. In de praktijk wordt meestal een gebedsdienst gehouden. De katholieke kerk heeft liturgische wenken uitgewerkt voor dergelijke vieringen, waarin de symbolische betekenis van vuur centraal staat. In België is er geen publiek aanwezig bij de eigenlijke crematie. Slechts een klein aantal mensen kan, als dat expliciet gevraagd wordt, aanwezig zijn op het moment dat de kist in de oven wordt geschoven. Als men echt aandringt, mag men eventueel door het vensterluik kijken, waar alleen vlammen te zien zijn. Het duurt ongeveer een uur vooraleer het lichaam vergaan is. Dan nog schieten er resten van beenderen over. Die worden verzameld, gemalen en later bij de as gevoegd. De as bestaat dus uit de verbrande resten van het lichaam, de kleren en de kist Het is die verzameling van resten die in een urne' wordt gestopt en aan de nabestaanden wordt overhandigd. Er zijn drie manieren om met de urne met de as om te gaan. Een eerste optie die praktisch nooit gebruikt wordt, bestaat erin de urne met de as te begraven in een graf op het kerkhof. Meer mensen kiezen ervoor de urne bij te zetten in een columbarium, een bovengrondse urnengalerij. Meestal is het mogelijk de naam en andere herdenkingstekens aan te brengen, zodat een plaats ontstaat waar men de dode kan herdenken. Andere mensen kiezen ervoor om de as uit te strooien over een strooiweide. Op die manier gaat de het stoffelijke overschot van de overledene volledig op in de natuur. Sinds het decreet op 'de begraafplaatsen en de lijkbezorging' van 16 januari 2004 is het toegelaten de as uit te strooien waar men wil (behalve op publiek terrein). Het is onder bepaalde voorwaarden ook toegestaan de as mee te nemen naar huis.
De koffietafel
In onze streken is het de gewoonte dat na de uitvaart, de naaste familieleden en vrienden van de overledene samenkomen om iets te eten en te drinken. Bij ons is dat meestal een koffietafel met vlaai.
De doden herdenken
Op Allerheiligen of Allerzielen hebben de mensen de gewoonte op bezoek te gaan naar het kerkhof. Daar worden bloemen gezet op de graven of hij de urnen van overleden verwanten. In de kerk is er op Allerzielen een viering waarin alle overledenen herdacht worden. Speciale aandacht gaat naar de overledenen van het voorbije jaar. De nabestaanden kunnen tijdens de viering het houten kruisje ontvangen met de naam van de overledene, dat gedurende het jaar in de kerk hing en de overledene vertegenwoordigde in de kerkgemeenschap. Als men dat wenst, kan men op geregelde tijdstippen herdenkingsmissen, zogenaamde misintenties, voor de dode laten opdragen. Tijdens de wekelijkse eucharistieviering wordt er dan meegedeeld dat er tijdens de dienst met bijzondere aandacht voor een bepaalde overledene gebeden wordt. Men kan zelf kiezen wanneer en hoe vaak men die intenties wil Klassieke data zijn in elk geval de geboorte- en zeker de sterfdatum van de overledene. Men noemt die jaarlijkse herdenking van de overledene bij ons een jaarmis. Bij de eerste verjaardag van het overlijden wordt de rouwperiode afgesloten. Vaak wordt de jaarmis daarna nog herhaald.