Dag Jan
Regie Jan van den Berg i.o.v. RVU
Nederland, 1992
Duur 28’
DVD 121(?)
DagJan_01

Dag Jan

De kortfilm 'Dag Jan' schetst het verlangen van Jan van Welderen om thuis te sterven. Hij lijdt aan kanker en is door de doktoren opgegeven. Familie of kennissen heeft hij niet, wel twee samenwonende buurmannen Leo en Karel. Leo ontfermt zich over Jan, hoewel Karel hem daar niet in steunt. Gaandeweg blijkt dat stervensbegeleiding meer is dan het regelen van praktische zaken. De onzekerheid over de duur van de situatie en de onverwachte intimiteit en betrokkenheid blijken Leo meer te raken dan hij had voorzien. Daarnaast heeft Jan het moeilijk met de afhankelijkheid. Leo blijft Jan zo goed en zo kwaad als hij kan verzorgen en er groeit een sterke band tussen de mannen.


Fasen in het stervensproces:

1.
Onwetendheid
• iemand is op de hoogte
• de persoon die ‘weet’, gaat zich vaak anders gedragen
• de betrokkene kan onrustig worden zonder te weten waarom

2.
Onzekerheid
• vermoedens rijzen
• wisselende reacties: twijfel, angst, vragen stellen, verwarring, verschillende interpretaties van eenzelfde gebeurtenis, uitspraak...
• Vluchten voor zekerheid die groeit

3
Ontkenning (nee, niet ik!) na bewustworden of vernemen van fatale prognose (de ernst van) de situatie niet willen of kunnen erkennen

4
Woede en verzet: opstandigheid
• Vaak terugkerende vraag: 'waarom ik?'
• verder ontkennen wordt onmogelijk
• woede, verzet, zondebokken zoeken, misnoegdheid

5
Onderhandeling (goed, maar als ... )
• door beloften, goede voornemens het onvermijdelijke proberen af te kopen.
• wondermiddelen proberen.

6
Verdriet (depressie)
• zich realiseren dat je je er moet bij neerleggen wat je zal verliezen
• treuren, erg begaan zijn met zichzelf

7
Aanvaarding (ik schik me er in)
• bereidheid alles los te laten
• in zichzelf gekeerde beheersing
• nood aan stilzwijgende steun



Vaktaal:
• Waarheidsmelding
• Florence Nightingale
• mantelzorg

De fasen verder besproken

In de onderstaande tekst worden de verschillende fasen in het stervensproces verder besproken:
De wijze waarop een patiënt de laatste periode van zijn ziek-zijn emotioneel en psychisch beleeft, is een belevingsproces waarin verschillende fasen te onderscheiden zijn. Het verloop van deze fasen, die o.m. beschreven werden door Elisabeth Kübler-Ross, wordt hieronder kort beschreven. Het is echter van belang om vooraf een aantal bedenkingen te formuleren. .
Bedenkingen vooraf:
De fasen in het stervensproces zijn niet zo gemakkelijk te onderscheiden. Het is soms moeilijk vast te stellen in welke fase de zieke verkeert. Twee fasen kunnen soms bijna samenvallen. Ook de duur van de fasen kan erg verschillend zijn. Er zijn ook geen twee dezelfde zieken. Niet alle fasen doen zich telkens voor. Elke terminale patiënt zal echter die fasen doormaken die zich kenmerken door het ontbreken van elk perspectief. Deze uitzichtloze fasen zijn zeker : onzekerheid, ontkenning, woede en depressie. De andere fasen die beschreven worden, kunnen zich voordoen, maar niet noodzakelijk.
Pas wanneer de zieke deze krisis (uitzichtloze fasen) kan doormaken, kan deze periode een nieuwe voedingsbodem vormen die nieuwe perspectieven opent. Enkel door crisisverwerking kan de patiënt tot de fase van aanvaarding komen. Een zieke die doodgaat, doet dit in volle krisis. Een zieke die sterft, is gekomen tot krisisverwerking.
Soms is het zo dat de patiënt, voordat familie of de artsen op de hoogte zijn, als het ware een eerste stukje van zijn stervensproces beleefd. Hij voorvoelt als het ware dat hij gaat sterven. De persoon in kwestie zit dan in de fase van de intuïtie. Deze fase is tegengesteld aan de fase van de onwetendheid waarbij de omgeving wel de toestand van de zieke kent en de patiënt niet. (zie verder)
Een zieke kan tijdens zijn stervensproces ook terugvallen in een vorige fase. Het her-beleven van een van de fasen wordt recycling genoemd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de zieke door het nemen van bepaalde medicamenten optimistischer wordt waarna hij kan terugvallen in een depressieve toestand. Tenslotte moet worden gezegd dat elke mens uniek is en dat bijgevolg elke zieke zijn eigen stervensproces beleeft. Aan deze fasenbeschrijving mag geen morele kwitantie worden verbonden. Elke mens is zichzelf. Niemand beleeft die fasen precies zoals ze hierna beschreven worden. : moet het meer als een hulp beschouwen.
In de beschrijvingen van de fasen komen de volgende aspecten aan bod : -de beleving van de patiënt -de rol van de familie, de artsen, de verplegers en de pastorale helper (begeleider)

Fase 0 De onwetendheid

Het is de nul-fase omdat deze fase eigenlijk niet bestaat voor de zieke. Alhoewel de patiënt in de terminale fase van zijn ziek-zijn verkeert, heeft hij daar geen moeilijkheden mee, om de doodeenvoudige reden dat hij van zijn situatie nog niet op de hoogte is gesteld. De moeilijkheden in deze fase situeren zich in zijn omgeving. Familie, artsen en eventueel de verplegers zijn immers wel op de hoogte van het fataal verlopend ziekteproces van de patiënt. Zowel de artsen, de verplegers en de familie spelen dus een ‘rol’ ten aanzien van de patint. Dit gebeurt zolang de artsen hun diagnoses als ‘beroepsgeheim’ beschouwen; de familie het beter acht voor de patiënt om hem met deze diagnoses nog niet te konfronteren of de familie de waarheidsmededeling niet denkt aan te kunnen. Dit laatste is begrijpelijk als we bedenken dat het vooruitzicht van een familielid te verliezen een zware emotionele belasting betekent voor de naaste familie van de stervende. Deze onwetendheidsfase waarin de patint verkeert, brengt voor de artsen en de verplegers enorme moeilijkheden mee. Zij moeten deze verplegen alsof hij weer beter zal worden, tegen beter weten in. De familie moet vooreerst dit ‘weten’ voor zichzelf verwerken. Het ligt voor de hand dat de door de patiënt aangevoelde zelfbeheersing en het akteertalent erg schadelijk kan zijn voor de vertrouwensrelaties tussen patiënt en artsen/verplegers enerzijds en patiënt en familie anderzijds. Wanneer zij hun rol slecht beheersen, brengt dit onvermijdelijk spanningen mee en het schept afstand binnen een relatie. (bv. wanneer familieleden ernstige gesprekken i.v.m. ziekte en toekomst vermijden) Het is duidelijk dat de aandacht van de begeleider in deze fase vooral moet uitgaan naar de verplegers en de familie. Hij moet weten wanneer hij hen kan inlichten over de werkelijke toestand van de patiënt, nl. op het ogenblik dat zij deze kennis op een zodanige wijze aankunnen dat het hun kontact met de zieke niet schaadt. Aan de fase van de onwetendheid kan voor de patiënt vrij plots een einde komen. De patiënt kan zelf twijfels uiten over de ernst van zijn ziekte. Dit is een duidelijk teken voor de begeleider dat de ware aard van de ziekte de patiënt niet meer mag worden ontzegd. Ook buitenstaanders, die het fatale ziektebeeld bij de patiënt onderkennen, kunnen hem soms, onverwacht met de waarheid confronteren. De onwetendheidsfase hoeft echter niet met de waarheidsmededeling worden beëindigd. Het komt veel voor dat de patiënt van de fase van onwetendheid stilaan verzeilt in een fase van onzekerheid.

Fase1 De onzekerheid

De naam zegt het al : de patiënt twijfelt voortdurend aan de afloop van zijn ziekte. Soms is hij bijna zeker dat hij niet meer beter zal worden en is hij pessimistisch, angstig en droevig. Op andere momenten wordt hij optimistisch, koestert hij hoop op beterschap en gelooft in een goede afloop van zijn ziek-zijn. In deze fase heeft de patiënt het meest behoefte aan iemand waar hij bij terecht kan met zijn onzekerheden, die bereid is naar hem te luisteren en voor een stuk met hem wil meegaan. Het is opmerkelijk dat de patiënt juist zulk een gesprekspartner uitkiest, uit die mensen die het niet kunnen weten, die hem nooit met de volle zekerheid op zijn vragen antwoord kunnen geven. Dit beduidt dat de zieke in werkelijkheid de waarheid nog niet wenst te kennen. Hij richt zich opzettelijk niet tot de leden van het gezin waar hij deel van uitmaakt of tot de artsen omdat hij weet dat zij de waarheid kunnen weten en vreest dat deze negatief voor hem zou kunnen uitvallen. Het feit dat de patiënt in deze fase juist mensen in vertrouwen neemt die verder van hem afstaan, kan de naaste familieleden kwetsen. (Het is bijna typisch voor elke krisissituatie dat een beroep wordt gedaan op mensen buiten de onmiddellijke familie.) De familie maakt meestal ook deze onzekerheidsfase door, en de onzekere houding van de patiënt drijft beide partijen juist uit elkaar. De patiënt isoleert als het ware zijn naaste familieleden door het in vertrouwen nemen van anderen. De begeleiding zal er vooral op gericht zijn de patiënt niet in de steek te laten. Geduld en luisterbereidheid zijn in deze fase erg belangrijk. De begeleider zal immers niet van zichzelf, maar van de patiënt moeten uitgaan om het moment te bepalen wanneer de zieke in de zekerheidsfase kan worden gebracht. De familie moet ook weer sterk begeleid worden, omdat er in deze fase tussen de patiënt en de familie een grote kloof kan ontstaan.

Fase 2 De ontkenning

In deze fase voelt en weet de patiënt in de grond van zijn hart dat zijn ziekte een fatale afloop heeft maar hij kan deze harde werkelijkheid nog niet aan : hij ontkent ze. Ook zijn familie maakt deze fase mee : ze weten met zekerheid dat een familielid zal sterven, maar deze waarheid ontkennen ze zo lang mogelijk. Deze ontkenning kan expliciet zijn en zich uiten in de opmerkingen zoals : “De dokter kan zich ook vergissen” of “Het zal allemaal wel zo vlug niet gaan”. De ontkenning kan ook impliciet zijn. De patiënt gaat plannen maken die hij, gezond zijnde, nooit zou hebben gemaakt, zaken die buiten zijn vroegere leefpatroon vallen. (bv. andere hobby’s, een ander genre kledij kopen, andere vakantiebestemmingen, uitbreiden van en zaak, ) De ontkenning is een vlucht, zowel voor de patiënt als voor zijn familie. Deze vlucht uit de realiteit kan voor beide partijen een tijdje zinvol zijn, zolang de waarheid niet verdragen kan worden. Het is dan ook een vorm van zelfbescherming. De taak van de begeleider in deze ontkenningsfase is zeer subtiel. Hij moet de zieke kunnen ‘volgen’. Eveneens moet hij soms meegaan in de vlucht van de realiteit, maar slechts op een bepaalde hoogte. Immers de patiënt is soms bewust van het irreële van zijn ‘dromen’. Bij een sterke ondersteuning van de vlucht zou de oprechtheid van de helper in twijfel worden getrokken. Wanneer sommige familieleden de waarheid ontkennen wordt dit veelal beschouwd als een gebrek aan belangstelling voor de situatie van de zieke. Dit kan aanleiding geven tot spanningen binnen de familie en ook weer tegenover de patiënt. Deze ontkenningsfase is meestal van betrekkelijk korte duur. Ontkenning kan bijvoorbeeld ook af en toe optreden wanneer de patiënt gekonfronteerd wordt met iemand die hem aan de realiteit herinnert.

Fase 3 Woede en verzet

Wanneer de zieke inziet dat de ontkenning van zijn reële situatie niet meer mogelijk is, o.m. omdat hij zieker en zieker wordt, komt hij in een fase van opstandigheid. De patiënt kan zich nog niet neerleggen bij de komende gebeurtenissen. Er rijst verzet tegen zijn sterven. Hij is woedend omdat hij het is die doodgaat en niet iemand anders (die misschien minder van het leven te verwachten heeft). Hij zoekt argumenten die moeten aantonen dat het onredelijk is dat hij moet sterven. Deze innerlijke opstandigheid wordt afgereageerd op mensen rondom hem. De arts wordt bijvoorbeeld verweten een laattijdige diagnose te hebben gesteld. M.a.w. hij zoekt schuldigen : mensen aan wie hij kan verwijten dat ze nalatig of verkeerd zijn geweest en zodoende schuldig zijn aan het feit dat hij moet sterven. Woede en verzet worden dus ingegeven door de onafwendbare fatale afloop van het ziek-zijn. De zieke weet dat hij binnenkort afscheid moet nemen van alles wat het leven hem biedt. Het is dit afscheid nemen, dat hij nog niet wil en kan aannemen. Zijn opstandigheid kan geuit worden tegen zijn echtgenote, maar is in feite gericht op alles wat hij vertegenwoordigt (zijn energie, jong-zijn, leven ) en wat hij zelf bijna verloren heeft Zijn woede is ook tegen bepaalde maatschappelijke normen. Onrechtvaardigheden worden eveneens verscherpt aangevoeld. De artsen, de verplegers en de familieleden die in deze fase als object van de opstandigheid worden geviseerd, kunnen dit soms moeilijk verwerken. Dit kan een ernstige vertrouwenskrisis veroorzaken. Ook de naaste familie beleeft een fase van woede en verzet die zich uit tegenover de artsen, de verplegers, de maatschappij Een opvallend verschijnsel is hier dat de familie, die het vertrouwen in de artsen verliest, vaak een beroep doet op paranormale genezers. De begeleider moet de patiënt de kans geven om zich te uiten. Er zullen zich bij de behandeling misschien wel (minieme) fouten hebben voorgedaan. Hierin moet de zieke worden bevestigd. De begeleiding vergt in de opstandigheidsfase een groot incasseringsvermogen en een dosis zelfbeheersing. Er dient hier nog vermeld te worden dat deze fase zich het minst laat afbakenen. Buiten deze fase kan woede en verzet op sommige momenten in alle andere fasen tot uiting komen, zelfs nog in de fase van de aanvaarding.

Fase 4 ‘Marchanderen’

De zieke beseft dat verzet en woede geen oplossing kunnen bieden. In deze fase wil de patiënt aannemen dat zijn leven niet lang meer zal duren. Doch hij wenst zijn levenseinde uit te stellen. Hij belooft nog dit of dat te verwezenlijken of af te werken voor zijn dood. Op voorwaarde dat hij nog een aantal zaken mag meemaken, aanvaardt hij zijn dood. Hij wil dus wel sterven, maar nu nog niet. Hij onderhandelt -meestal met Godom het uur van sterven uit te stellen. Het is opvallend dat de patiënten minder en minder beloven naargelang ze zichzelf voelen verzwakken. In deze fase dienen de artsen, de verplegers en de familieleden respect te hebben voor de beloftes van de zieke. De begeleider zal oog moeten hebben voor het feit of dat de beloftes al dan niet volbracht kunnen worden. Hij dient dit te bespreken met de patiënt.

Fase 5 Depressie

De patiënt voelt meer en meer zijn einde naderen en beseft dat het geen zin heeft om nog koopjes af te sluiten die zijn stervensuur moeten uitstellen. Hij realiseert terdege dat hij niet lang meer te leven heeft en dus afscheid moet nemen van de mensen en de dingen die hem dierbaar zijn. Dit losmaken is ook afstand namen van alles waaraan hij gehecht is. Dit gaat gepaard met een periode van depressie, van moedeloosheid. De patiënt voelt niets meer als zinvol aan. Een gesprek met de familie voert hij liever niet. Niemand kan hem nog hulp bieden, dus ook attente bezoekers worden afgewezen. Enkel de mensen die hem verplegen, kunnen nog iets voor hem doen: zijn lijden zoveel mogelijk verzachten. Zijn enige aandacht naar buitenuit gaat dan ook naar hen. Voor het overige trekt de patiënt zich terug in zichzelf. Zijn houding valt voor de familie -die tot dan toe heel wat voor hem heeft gedaanvaak moeilijk te verkroppen. Ze voelt zich machteloos tegenover de patiënt. De zieke wordt vaak als ondankbaar ervaren. Deze depressieve toestand kan een echte kloof doen ontstaan tussen de patiënt en de mensen met wie hij een vertrouwensrelatie onderhoudt. De taak van de begeleider is in deze fase veruit het moeilijkst. Ze moet vooreerst gericht zijn op de patiënt. Alhoewel deze geen nood aan een echt gesprek betoont is het erg belangrijk dat de begeleider zoveel mogelijk beschikbaar blijft -eventueel al biddend. Het is echter een hele opdracht om de afwerende houding van de patiënt te verdragen. De begeleider kan in deze fase misschien wel een grotere rol spelen bij de familie. De neerslachtigheid van de patiënt kan in zodanige mate overslaan en drukken op de familieleden, dat deze zich terugtrekken uit hun maatschappelijk leven en de normale gang van zaken in het gezin gaan verwaarlozen. De begeleiding zal dan erop gericht zijn de familie ervan te overtuigen dat het normale gezinsleven juist de kracht kan bieden om deze moeilijke ogenblikken door te komen. Bestaande maatschappelijke kontakten moeten onderhouden blijven, opdat de familie na het sterven van de patiënt niet geïsoleerd zou zijn.

Fase 6 Aanvaarding

Weinig mensen bereiken de fase van de aanvaarding. In deze fase aanvaardt de patiënt dat zijn leven een einde neemt. Hij is met andere woorden bereid om te sterven, en dus ook afscheid te nemen van geliefde mensen en dingen. Hij doet dit niet met plezier, maar ook niet met grote droefheid.
De zieke is in staat zijn dood onder ogen te zien. Wanneer de patiënt dit kan, overkomt de dood hem niet meer, maar groeit hij er naartoe. Het is een persoonlijke beslissing, een aktieve laatste daad (Hij wil sterven). Door deze beslissing gaat de patiënt niet dood, maar sterft hij. In deze fase durft de stervende zijn leven te overzien. Hij is blij om wat hij heeft kunnen verwezenlijken, om wat het leven hem heeft geboden. Hij voelt dankbaarheid voor zijn familie en vrienden. Hij kan -als hij gelovig isook dankbaar zijn voor god. De zieke wil nu ook zijn verdwijning in het gezin zo goed mogelijk opvangen en zal alles optimaal willen regelen voor zijn verwanten. (Sommigen regelen zelfs hun begrafenis.) De fase van aanvaarding is meestal zowel voor de patiënt als voor zijn familie enorm verrijkend. Het feit dat de dood en de gevolgen ervan voor het gezin open kunnen worden besproken, draagt hiertoe bij. De begeleider kan zich in deze fase bijna volledig terugtrekken omdat de patiënt nu in staat is alles met zijn familie te bespreken. De familie en de patiënt moeten wel nog beroep op hem kunnen doen wanneer ze dit wensen. De zieke kan immers op sommige momenten nog te kampen hebben met woede en verzet of terugvallen in een depressieve toestand. De begeleider moet in de aanvaardingsfase extra aandacht betonen voor de regelingen die de patiënt wil treffen met betrekking op de periode na zijn dood. Hij moet de patiënt hierin ondersteunen. Namelijk de stervende moet de kans krijgen om zijn naasten in optimale omstandigheiden achter te kunnen laten.
.