Uit de tweede eeuw is er een brief bewaard van een onbekende auteur, die aan een zekere Diognetus over de christenen schrijft.
In de beschrijving maakt de auteur gebruik van paradoxen. Blijkbaar is het concrete leven van de christenen op die manier het best te typeren. Samenvattend stelt hij dat christenen voluit leven in deze wereld, maar dat zij niet tot deze wereld behoren.
Wat betekent dit? Het lijkt er op, dat christenen zich niet neerleggen bij het status quo van de wereld, maar dat zij leven met het besef dat er steeds iets ontbreekt. Zij nemen dus geen genoegen met de realiteit zoals die is. In het slotstukje noemt de auteur de christenen de ziel van de wereld. Hij bedoelt wellicht de gedrevenheid waarmee christenen de wereld bewoonbaarder willen maken.
De eigenaardigheid zit er dus in, dat de christenen op het eerste zicht niet anders zijn of op een andere manier leven in de wereld, maar dat zij in de wereld nooit helemaal thuis kunnen zijn.

Werkwijze:
Bestudeer de brief aan Diognetus.
- Welke andere godsdiensten ken je, waarbij wel opvalt dat de aanhangers anders zijn dan andere mensen?
- Wat bedoelt de auteur met: 'Christenen zijn in de wereld maar niet van de wereld'?
- Vergelijk de beschrijving uit de brief met de analyse van de grafito op de Palatijn.


christ

De brief aan Diognetus


Het geheim van het christendom

"De christenen onderscheiden zich niet van andere mensen door taal, vaderland of kledij. Zij wonen immers nergens in eigen steden, gebruiken geen afwijkend dialect en leven geen uitzonderlijk leven. Hun leer is niet uitgevonden door de vindingrijkheid of het overleg van mensen die zich met nutteloze problemen bezighouden en zij zijn niet, zoals sommigen, de verdedigers van een menselijke leer. Zij wonen in steden van Grieken en barbaren, zoals aan ieder het lot beschoren was en zij leven volgens de zeden van het land, wat betreft kledij, voeding en andere levensomstandigheden, en geven zo blijk van een verwonderlijk en naar aller mening paradoxaal burgerschap.

Zij wonen in hun eigen vaderland, maar als vreemdeling;
zij kwijten zich van hun burgerplichten en verdragen als vreemdeling alles.
Ieder vreemd land is hun vaderland en ieder vaderland is een vreemd land.
Zij trouwen als ieder ander maar leggen hun kinderen niet te vondeling.
Zij delen hun tafel maar niet hun bed.
Zij leven in het vlees maar niet naar het vlees.
Zij wonen op aarde maar zijn thuis in de hemel.
Zij gehoorzamen de heersende wetten maar overtreffen ze in hun eigen leven.
Zij hebben iedereen lief en worden door iedereen vervolgd.
Zij worden miskend en veroordeeld; ze worden gedood en ten leven gewekt.
Zij zijn arm als bedelaars maar maken velen rijk.
Zij hebben aan alles gebrek maar leven in overvloed.
Zij worden veracht maar ze worden verheerlijkt door de verachting.
Ze worden belasterd maar worden gerechtvaardigd door de laster.
Zij worden bespot en ze zegenen. Ze worden beledigd en bewijzen eer aan zij die hen beledigen.
Hoewel zij goed doen, worden ze gestraft als misdadigers.
Zij die hen haten kunnen geen reden opgeven voor hun haat."

De ziel van de wereld

"In één woord, wat de ziel is voor het lichaam, dat zijn de christenen in de wereld. De ziel is verspreid over alle delen van het lichaam en de christenen over alle steden van de wereld. De ziel verblijft in het lichaam, maar is niet van het lichaam. Christenen zijn in de wereld maar niet van de wereld."

(Anoniem, Brief aan Diognetus, ong. 150 na Christus)